zaterdag 23 maart 2019

Gebroken man


Ik loop door het veld. Alleen. De hele dag nog voor de boeg. Even ontsnappen aan de waan van de dag
…mijn gedachten dwalen terug…
Mist hangt boven het veld. Ik adem de eerste lentegeuren in. Langzaam wordt het licht. Zo moet God het hebben bedoeld toen Hij de wereld schiep. Alles volmaakt!
…terug naar gisteren…
Het is hier een oase van rust. Alleen vogels doorbreken de stilte. Een koekoek, een houtduif, een bonte specht. Het bruist hier van het leven.
De lucht kleurt de schemer zachtjes rood met prachtig paars pastel. Een waar schilderij. Zo zie je het maar zelden.
… alles is kapot…
Een eend vliegt weg uit een sloot. Het gekwaak echoed langzaam weg in de verte. Even is het stil. Volkomen stil.
Onder mijn voet knapt een stuk hout. Een ree schrikt en springt van mij weg tussen de struiken en verdwijnt in de mist.
…gevoelens en emoties…
De natuur is liefdevol. Hier wordt niemand gekwetst. Hier zijn geen deadlines. Hier staat de tijd even stil.  Hier ligt het geluk nog voor het oprapen.
…woede, onbegrip en leegte…
Ik ben geen prater. Nooit geweest ook. Ik ben meer een kijker. Ik observeer en leef mijn leven het liefst op de achtergrond. Niet teveel drukte. Niet teveel poespas.
…waarom?…
Zonder doel zoek ik mijn weg door een uitgestrekte wildernis met kronkelende beekjes met bijna geen paden. Je zou hier best nog kunnen verdwalen. Ik loop door en door en door. Als mij hier iets zou overkomen, duurt het dagen voordat iemand mij vind.
…hier loopt een gebroken man…
Langzaam brand de zon de mist weg. De dag ontwaakt. Het zachte mos schittert als een fluwelen deken in de goudgele ochtendzon. En ik kom geen mens tegen.
…Goed, niemand heeft de tijd aan zijn kant…
Ik kom hier al sinds mijn kindertijd. Ik ken deze plek als mijn broekzak. De nesten, de vossenholen, de drinkplekken voor de reeën. De natuur gaat hier al decennia lang z’n gang. Dit is mijn plek.
…de belofte om er altijd voor je te zullen zijn…
Hoe vaak heb ik hier wel niet een regenboog gezien. Een prachtig gezicht. Het symbool van voorspoed en rijkdom. als verzoening tussen God en mens.
…ik heb haar moeten breken…
Vanaf vandaag is die illusie voorgoed veranderd. Voor mij is het nu een symbool van een verbroken belofte..
…vergeef me…
De tijd heelt alle wonden. Maar de littekens blijven. In de verte verschijnt de kerktoren boven de magische ochtendmist. Ik keer weer huiswaarts. Mijn veilige haven.
…ik was er nog niet klaar voor…
Ik draai me nog een keer om. De mist verdwijnt. De zon doet pijn aan mijn ogen. Het brand mijn tranen weg. 
Kom, het is tijd voor koffie.
…rust zacht, mijn kleine allerliefste Elin…


© taededraaftdoor  23-03-2019

vrijdag 19 oktober 2018

Tijd om te gaan


Het is tijd om te gaan.
Onwennig staan we tegenover elkaar. Met tranen in onze ogen. Een strijd welke alleen maar verliezers kent. 
De gevolgen zijn desastreus. 
Jij voelt haat, ik juist het tegenovergestelde. 
Vreemd, dat we ineens geen woorden meer kunnen vinden voor datgene waar we nooit over uitgesproken raakten.
Mijn hart bonkt in mijn keel. De zenuwen gieren door mijn lijf. Nooit eerder voelde ik me zo ellendig.
Stilte.
Gek eigenlijk, hoe we het zover hebben laten komen. Zeker, omdat we elkaar hadden beloofd dat dit nooit zou gaan gebeuren.
Ik kijk naar je mond. Je lippen, ik heb ze duizenden keren gekust; je haren, ik zal ze nooit meer strelen; je ogen, ik kon ze eenvoudigweg lezen.
Ik trek mijn jas aan.
De woorden echoën door mijn hoofd. ‘Ik ben er klaar mee! Ik kan er niet meer tegen! Het is over! Ik wil dat je gaat!’
Nee, er is geen ander.
Het overrompelde mij. Een klap als van een mokerslag. Je zei dat je van me hield. Zelfs op die bewuste dag sprak je die woorden. Ik wist alleen niet dat het een leugen was. Of had ik beter moeten weten?
Ik was een eikel.
Ik loog, ik vloekte, ik tierde, ik dronk. Mijn gedrag was onacceptabel. Ik verzon altijd wel een excuus. Ik beloofde beterschap. Ik zei dat ik zou veranderen. Jij zei dat je me geloofde, maar ik hield je gewoon voor de gek. Ik snap best dat je kwaad werd. Je had het volste recht. 
En wat, als stilte een onaangename vriend wordt?
Ik zucht.
Jij schudt je hoofd.
Jij wou dat ik in therapie zou gaan. 
Ik weigerde. 
Trots? 
Ik wilde zo klein niet zijn. Ik vond dat het wel meeviel en dat je overdreef.
Jij vond, op jouw beurt, dat ik alles teveel bagatelliseerde. Je kon me niet meer vertrouwen, zei je.
We kregen steeds vaker ruzie. Zelfs waar de kinderen bij waren. 
Hebben we gefaald?
Noem het zoals je wilt. Maar waar gehakt word, vallen nou eenmaal spaanders. Ik ben nou eenmaal niet zo goed in sorry zeggen. En jij wikt en weegt ieder excuus tot je een ons weegt. Met beide gevallen schiet je geen sodemieter op.
En nu staan we hier!
Het ging allemaal ineens heel snel. Jij had je goed voorbereid. De boodschap was luid en duidelijk.
Hier is geen draaiboek voor. Dit is puur en alleen improvisatie. Iets waar ik onhandig in ben. 
Jij moet nadenken, zeg je. Dingen op een rijtje zetten. Sommige dingen zijn niet te herstellen, vind jij. Ik ben het daar niet mee eens. Waar een wil is, is een weg heb ik altijd geleerd.
Ik doe mijn rugzak om.
Het is zover. Een laatste omhelzing.
Nog een laatste blik. Een huis vol herinneringen. Een allerlaatste glimlach. Ik stap de deur uit. Je noemt mijn naam. Ik kijk niet meer om. Ik huil. Ik ren. Onder mijn jas druk ik een foto tegen mijn borst.  Een foto van ons allen. Waarop we allemaal lachen.

© taededraaftdoor 19- 10-2018

vrijdag 15 juni 2018

De droom


Laatst zag ik je weer. In een droom. Je stond op een afstandje naar mij te kijken. Je glimlachte, je bloosde, alsof het de dag van gisteren was.
De wind waaide speels door je haren. Je zachte huid was gebruind door de zon. Ik genoot van je zomersproeten. Je vond ze zelf nooit zo mooi. Weet je nog?
Ik herinnerde me het rode jurkje dat je droeg. Het was je lievelingsjurk, gekocht tijdens een onvergetelijke vakantie in Italië, alweer twee jaar geleden. Toevallig keek ik laatst nog naar de foto’s. Mijn God, wat waren we gelukkig! De toekomst lachte ons toe!
Je deed een paar stapjes naar voren. Ik schrok, mijn hart bonsde bijna uit mijn borstkas, snel deed ik een stapje terug. Gek eigenlijk, maar ik meende zelfs eventjes je geur te ruiken.
Ik haalde diep adem. Voorzichtig noemde ik je naam. Die naam, wanneer had ik die ook maar weer voor het laatst uitgesproken?
Ik kon het gewoonweg nooit. Ik durfde het niet. Het koste zoveel energie. Net zoals ik nadien ook nooit meer op jouw kamer was geweest. Ik was er gewoonweg niet toe in staat. Bang voor de confrontatie? Ik had werkelijk geen idee!
En nu, ineens, stond je daar; zo levendig en zo echt. Aarzelend stak ik mijn hand uit. Ik wilde je aanraken, je voelen. Het liefst wilde ik je omhelzen en je nooit meer loslaten. Ik wilde je vertellen dat je nergens bang voor hoefde te zijn, dat ik er altijd voor je zou zijn; maar de woorden bleven steken ergens achter in mijn keel.
Je doorbrak mijn stilzwijgen met de vraag of ik gelukkig was.
Ik aarzelde. Ik durfde je niet te vertellen over mijn depressiviteit. Bang dat ik me schaamde en dat jij dat niet begreep. Je was nog maar zeven. En ik wilde je niet nog eens met al mijn problemen opzadelen. Ik kon prima mijn eigen boontjes doppen, tenminste dat dacht ik.
Dus loog ik dat het wel goed met me ging.
Volgens mij had je me door. Je was altijd al een slim en doortastend meisje geweest. (Iets wat je van je moeder had meegekregen). Ik had meteen spijt dat ik je de waarheid niet durfde te vertellen (gelukkig had je mijn faalangst niet geërfd).
We lieten het verder voor wat het was.
Je vroeg hoe het ging met je broertje, Bo.
Misschien dacht ik er net iets te lang over na, maar dat hij iedere nacht nog steeds huilend wakker werd, vertelde ik je niet. Wel zei ik dat hij elke avond naar de sterren wuifde, in de hoop dat jij dat misschien zou zien.
Aan je reactie begreep ik dat dat niet zo was.
Stilte
‘Hij mist je.’
Ik zag je oogjes rood worden.
‘Jullie waren vriendjes voor altijd.’
stilte
Je knikte.
stilte
Ik floot je lievelingsliedje.
Je lachte. 
Zo zag ik je graag. Zachtjes begon ik het voor je te zingen.
Je pakte mijn hand en neuriede met mij mee. Eerst zachtjes, daarna luider, steeds luider totdat we samen zingend door een veld vol korenbloemen dansten. Vogeltjes tjilpten, vlinders fladderden om ons heen, er was een ondergaande zon. Het was alsof we ons in een sprookje bevonden.
Ik tilde je op. Je schaterlachte. Je gezicht kwam naast de mijne. Ik voelde je adem. Ik proefde jouw geur. Ik… toen... je bracht je mond vlak naast mijn oor. Ik hield mijn adem in. Zachtjes fluisterde je: Pappa, je bent de allerliefste van de hele wereld. Ik houd van jou!

© taededraaftdoor 15- 06-2018